|
||
| De oase van Caïssa is een bijna-verontrustend verhaal dat zich
afspeelt in de fictieve metropool Stenenberg aan het eind van de jaren tachtig.
De hoofdpersonen zijn vier vrienden die binnen de veiligheid van het schaakspel
soms momenten van rust lijken te vinden. Alle vier hebben hun normale maar
ook hun bizarre botsingen met de werkelijkheid wat tot buitenissige ontknopingen
leidt. David Ebet is een broodmagere student politicologie die worstelt met een zwakke gezondheid. Op een dag valt hij ten prooi aan een merkwaardige ziekte die samen blijkt te hangen met de wereld van het schaakspel. Een vriend van David is de excentrieke universiteitsdocent Thomas Hubert, een beer van een kerel. Door bezuinigingen is zijn baantje binnen de vakgroep Internationale Betrekkingen in gevaar. Pas dan ontdekt hij hoe de harde wetmatigheden van het schaakspel ook daarbuiten gelden. Gilles Rosen is een kalende elektronicus die graag aan diverse vormen van lichaamsbeweging doet. Hij kent een ongelukkig liefdesleven. Tijdens een schaaktoernooi wordt dit nogal pijnlijk op de spits gedreven, waarna hij in wanhoop naar een ultiem middel grijpt om het tij te keren. De laatste schaakvriend is Paul Reynders. Hoewel klein van postuur mag deze mollige accountmanager zich graag laten gelden en oppervlakkig gezien lijkt hij zijn zaken dan ook op orde te hebben. Onderhuids woekert er echter een verschrikkelijke onrust die een onvoorziene wending tot gevolg heeft. |
||
Willem Blankert (1959) heeft gewerkt als politicoloog, elektrotechnicus,
logisticus, industrieel verkoper en freelance redacteur. Deze bonte achtergrond en zijn voorliefde voor het schaakspel moesten wel leiden tot De oase van Caïssa, een historische en psychologische schaaknovelle die zich niet laat vergelijken met enig ander boek in dit genre. |
||
| Voorwoord …eindelijk weer eens een toernooi gewonnen. ‘Hoe komt dat nou?’ vraagt iedereen. Ik ben wel de laatste die daarop kan antwoorden. Zo’n toernooi winnen, mijne heren, gaat vanzelf. Schaken is en blijft een geluksspel. ‘Hoe kan dat nou?’ hoor ik u roepen. ‘Dat is toch het mooie en edele van het schaakspel dat de kansen gelijk zijn en de spelers zelf alles in de hand hebben?’ Zeker, mijne heren, maar wie heeft zichzelf in de hand? J. H. Donner, november 1967 Een verhaal is net een kind. Als je het niet genoeg aandacht geeft
en aan zijn lot overlaat, krijg je een heel ander kind dan je had verwacht.
Toen ik aan deze novelle begon in een vlaag van infantiel optimisme, wilde
ik een verhaal schrijven over schakers en botsende karakters, over optimisten
en romantici die hun mouwen opstropen en zo meer in het leven bereiken
dan pessimisten en realisten die bij de pakken neerzitten. Welnu, het blijkt
vooral te handelen over schakers als gewone mensen en hun dwalingen. Tja.
Soms pijnlijk en herkenbaar, soms bizar en amusant, maar mijn geesteskinderen
zijn niettemin nooit de personen geworden die ik oorspronkelijk voor ogen
heb gehad. Caissa: or, the game of chess Caissa: or, the game of chess werd geschreven in 1763 door Sir William
Jones (1746 -1794) en in 1772 in Oxford gepubliceerd in Poems. Het gedicht
is geïnspireerd door vertalingen in het Italiaans van een Latijns gedicht
uit de zestiende eeuw, Scacchia Ludus van Vida. “Als je De Oase van Caïssa in drie woorden zou moeten vangen, komen de woorden 'verrassend', 'meeslepend' en 'herkenbaar' bij je op. 'Verrassend' omdat het een boek is wat doorspekt is met schaken,
zonder een echt schaakboek te zijn in de traditionele vorm waarin schaakboeken
geschreven worden. Kenners op het gebied van de schaakboeken zullen iets
dergelijks nog nooit onder ogen hebben gehad. Er zijn natuurlijk een aantal
verhalende schaakboeken (o.a. Searching for Bobby Fischer van Fred Waitzkin
en natuurlijk de schaaknovelle van Stefan Zweig) maar deze hebben duidelijk
een andere inslag. Ook andere 'leesbare' boeken als 'prettige partij van
Errit Petersma en het wat oudere boek Multatuli en het spel van de koningen
van Lodewijk Prins zijn niet te vergelijken dit boek. |